De hovenier en de maatschappij

Onder deze noemer willen we aangeven waar de hovenier zijn contacten met de maatschappij maakt.

Onderwerpen zoals brancheorganisatie, productschap, de overheid, geschillencommissie, reclame en presentatie, maar ook verenigingen als de KMTP, de literatuur, spreekwoorden en gezegdes enz.

Een onderwerp waar nog veel meer in zit. 

 

DE HOVENIER VOLGENS LUIJKEN

De maatschappelijke status van het vak:

De status gaat mee met de welvaart van het land.

In de eerste eeuwen die we op deze website behandelen van 1600 tot 1850 was de hovenier bijna alleen aanwezig op buitenplaatsen, kastelen en kloosters. Daar was zijn status redelijk hoog (zie: De hovenier als tuinbaas). Hij werd redelijk goed betaald en deelde ook mee in de producten die er geteeld werden. Het waren over het algemeen besloten gemeenschappen, dus waren er ook verschillen in den lande.

Vanaf  ongeveer 1825 gaat het gemiddeld minder met de rijke Nederlanders, raken veel buitenplaatsen in verval en worden als gevolg verkaveld (in kleinere percelen verkocht). Dat is ook de tijd van de eerste ondernemers onder de tuinbazen. Ook worden vanaf 18oo in sommige gemeentes de eerste stadshoveniers aangesteld.

In de Leeuwarder Courant van 1856 staat een uitgebreid reglement waaraan de bewoners van de stad zich dienen te houden. Daarin komt de stadshovenier naar voren in artikel 12.

Lees hieronder wat zoal zijn taken waren.

HOVENIER MET SCHOP

Bijna Koninklijk

Op de najaarslezing van de Tuinenstichting in 2008 te Wageningen liet prof. Erik de Jong bovenstaande de foto zien. Het is een afbeelding van een Engels schilderij uit 1557 van John Tradacent met als titel Hovenier met schop.

Erik de Jong dacht dat dit wel eens de eerste hovenier kon zijn die er “gekleurd” op staat. Of de naam Hans Weiclitz ook bij deze hovenier hoorde, was niet bekend. Wel kan gezegd dat hij bijna koninklijk over komt, maar buiten zijn kleding vallen vooral zijn grote handen op.

De titel van de najaarslezing was Technologie van de tuinkunst. Het ging vooral ook over het gereedschap van de hovenier.

Imago-onderzoek van de hovenierssector

Onder deze titel heeft het Productschap Tuinbouw in 2008 een marktonderzoek laten uitvoeren.
De resultaten van dit onderzoek zijn een cultuurschok voor de hovenier als vakman, maar alla.

In de 19e eeuw is het nog steeds een vak wat net als veel andere ambachten van vader op zoon gaat. Zo wordt ook de vakkennis doorgegeven.

Het begin van de 20e eeuw zijn de crisisjaren met veel werkeloosheid. De tuinman/hovenier wordt sindsdien slecht betaald. De loodgieter, schilder en metselaar zijn dan ook tot ver in de 20e eeuw beter betaalde ambachten. Vanaf de invoering van de eerste CAO voor hoveniers in 1962 komt hier geleidelijk verbetering in. Toch stamt uit die tijd de kreet: Als je niets kan, kan je altijd nog tuinman worden.

Na 1950:

Maar het groen wordt belangrijker. Er wordt in een rap tempo gebouwd, woonwijken worden letterlijk uit de grond gestampt. Vooral in de randstad ervaart men dat groen een steeds noodzakelijker onderdeel is van de woon- en leefomgeving. Dat heeft het imago van de hovenier duidelijk goed gedaan.

Teleurstellend was de afschaffing van de vakkenniseis voor de vestigingswet. In het kader van de deregulering is de gehele vestigingswet afgeschaft.

Rechters in Nederland straffen de laatste 20 jaar steeds vaker met taakstraffen. De “delinquent” moet dan verplicht een aantal uren in bijvoorbeeld de groenvoorzieningen werken. Maar als je vind dat hovenier zijn het mooiste beroep is, kan je weinig begrip opbrengen voor deze manier van straffen. Ook van onderstaande berichten uit het opinieblad Elsevier van oktober 2008 en februari 2010 wordt je als hovenier niet vrolijk. Gelukkig zijn dit uitzonderingen op de bekende regel.

 

De Tuinman en de Dood: gedicht van P.N. van Eyck (1887-1954)                                                            

Wie is er niet op een begrafenis of crematie geweest waar het gedicht “De tuinman en de Dood” is voorgedragen? {Het blijkt een van onze beroemdste gedichten te zijn.}

Geen betere plaats natuurlijk om dit klassieke gedicht te laten horen.

Onderstaande versie van dit gedicht willen we u niet onthouden om dat het om een andere tuinman gaat:

 

De tuinman of de dood Een inwoner van Wassenaar


Vanmiddag kwam mijn vrouw, nog wit van schrik


Mijn villa in: “O, lief, één ogenblik!


Ginds, in de rooshof plukte ik rozen rood


Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.


Hij stond vanaf het veldje bij de schuren


Voortdurend mij begerig te begluren.


Ik schrok en haastte mij langs de andere kant,


Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Ik zag hem met zijn zeis nog naar mij wijzen.


O, Lief, ik ben zo bang. Ik moet gaan reizen!


Geef mij je treinkaart, laat mij spoorslags gaan


Voor de avond nog kom ik in Sittard aan!”


Zij keek mij smekend aan. En ik? Ik lach


En roep: ”Het was de Dood niet die jij zag!


De Dood stond jou daarnet niet te begluren.


Dat was de nieuwe tuinman van de buren.”



Auteur: Theo van de Leur

 

A H BLOM 1904-1971 HOVENIER TE DELFT

Gedicht van Ida Gerhardt:

Ik ben een tuinman. niets dan dat,

met aarde en met mest bespat;

ik buig mij neer, ik richt mij op,

ik klem de schoffel en de schop.

 

Ik wied, ik volg mijn diepste wet

als ik de naakte zaailing zet;

ik richt mij op, ik buig mij neer,

een tuinman ben ik en niets meer.

 

Ga ik met donker stram naar huis

de pijn spaart schouderblad noch kruis

ik waak nog als ik rusten mag

Mijn land, mijn land; het is kort dag

 

Delft straks uw spa voor mij de wig

vergeet waar ik geborgen lig.

Voorbij mijn moeite, nood en pijn

moet er een tuin van sterren zijn.

 Uit : Verzamelde gedichten. Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1980.

 

 

 

           De Schoffelaar

           Wie is die schoffelaar

           die zich een weg baant

          tussen struik en wildgroei

                     in de hoven

 

       Ooit waren kruid en gras zijn prooi

                 glad moest alles zijn

              Maar nu ben ik overbodig

        Het oog van de eco-bio- loog ziet

                                  graag

                  onkruid dat woekert

 

              Nu lijk ik zelf verwoekerd

              spinachtig laat ik groeien

                  wat er moet groeien

 

                     Ben ik gegroeid?

                      Opbosser

                  Gesnoeid en geschoren

                     liggen ze verspreid

                             in de tuin

 

                     Mijn meester zaagt

                              en ik graai

                         het overbodige

 

                   Lange takken onder en boven

                        gedoemde en afvallige

                           erin gefrommeld

 

                      Geknoopt stro  touwtje

                         verpakt de takken

                               tot een bos

 

 

DE GEDICHTEN DE SCHOFFELAAR EN OPBOSSER ZIJN VAN JAN SCHEP UIT AMSTERDAM UIT ZIJN BUNDEL ODE AAN DE HOVENIER  MEER WETEN KIJK OP ZIJN WEBSITE     www.dubbelgroen.com