De hovenier als tuinbaas

DE TUINBAAS

Wie niet uit de groene wereld afkomstig is heeft wellicht nooit de term Tuinbaas gehoord.

Een tuinbaas “bestiert” het groen van een buitenplaats in opdracht van de eigenaar en of bewoner. (meer over het ontstaan van de buitenplaatsen, klik hier onder) 

Van 1600 tot begin 1900 was een tuinbaas door zijn functie iemand van hoog aanzien. Hij was een man met veel kennis en gezag, want zijn taken waren veelomvattend. Zijn kennis en kunde bepaalde mede het aanzicht van ‘zijn’ buitenplaats. Hij woonde er meestal in de tuinmanswoning. Wonen en werken liep voor de tuinbaas op buitenplaats door elkaar. Het runnen van een buitenplaats was voor menig tuinbaas een levensvervulling. Ook nu nog zijn er tuinbazen, al is hun aantal klein.

Op de eerste plaats was een tuinbaas er voor het onderhoud van het representatieve groen, de siertuin. Zijn inzet was bepalend voor de kwaliteit van de tuin en het park. Hij zorgde zo mede voor de maatschappelijke status van de buitenplaats en zijn bewoners. En wat er te veel was aan fruit uit de boomgaarden en bloemen en planten uit de tuin, werd verkocht. Voor veel eigenaren was dit een belangrijke bron van inkomsten.

De verzorging van het vee en andere dieren van de buitenplaats kwam ook voor rekening van de tuinbaas. En niet te vergeten het bos. Bos was namelijk belangrijk voor bouw- en timmerhout, gereedschapsstelen en voor de warmtevoorziening in de winter.

Het weekend was de tijd voor gasten. Die moesten worden vermaakt. Oude handboeken geven daarvoor praktische tips als de aanleg van een vinkenbaan en .................... Ook het vervoer, de koets en de paarden vielen veelal onder het verzorgingsgebied van de tuinbaas. De taak van de tuinbaas was het echter ook om de maaltijden te bereiden voor de bewoners, zijn gasten en allen die op de buitenplaats werkten.

Een tuinbaas deed al dit werk, afhankelijk van de grootte van de buitenplaats, alleen of met medewerkers. Op oude foto’s is te zien dat de tuinbaas meestal een overhemd en jasje droeg en een hoed om het verschil te maken met zijn medewerkers (knechten of tuinjongens). Tuinbazen werden nogal eens weggekocht door andere landgoedeigenaren. Op veel kleine buitenplaatsen speelt ook de vrouw van de tuinbaas een belangrijke rol als “huishoudmanager” Er zijn veel voorbeelden van personeelsadvertenties waarin een echtpaar gevraagd wordt. Afhankelijk van de tijd en de heer des huizes is godsdienst mede bepalend bij het verkrijgen van de baan.

Uiteraard bepaalde de landgoedeigenaar of bezitter van een buitenplaats de grote lijnen van het beheer. Maar er zijn ook voorbeelden bekend waar de tuinbaas als ontwerper een belangrijke rol speelde bij de inrichting en vormgeving van het landgoed of buitenplaats.

 

Vaak  lange  dienstverbanden

Wonen en werken liep voor de tuinbaas op een buitenplaats door elkaar heen, maar het runnen van een buitenplaats was voor menig tuinbaas een levensvervulling.

Er zijn vele voorbeelden van lange dienstverbanden van tuinbazen en hun buitenplaats. Want al verwisselde de buitenplaats van eigenaar dan bleef de tuinbaas als vaste kennisfactor op zijn plek. Hij was het die de eigenaar over diens tuin adviseerde, het belang van de bomen voor de toekomst en die de ruimte gaf door andere bomen te kappen. Daardoor is er ook nu nog heel wat te genieten aan monumentaal, historisch groen in Nederland.

Tuinbaas Smitskamp haalde het vakblad in 1908 met zijn 40-jarig jubileum op “Villa Nuova” te Zeist:

Lees hiernaast het hele verhaal van zijn carrière.

 

 

GEERBRON :

Een voorbeeld van een kleine buitenplaats eind 17de eeuw is Geerbron in Monster.

Plaatje van de kaart van Kruikius uit 1712 waar de buitenplaats op staat

De eigenaar Anthoni  Pieterson  Schout bij Nacht van Hollandt en Westvrieslandt was in 1697 op zoek naar een nieuwe thuijnman voor zijn buitenplaats. Vermoedelijk had hij in de jaren daarvoor geen goede ervaringen met zijn tuinbaas. Hij stelde voor zijn nieuwe tuinman Thomas van Es en diens vrouw Jannetje Doe van Alenburgh een contract op. Alle werkzaamheden zijn hierin helder vernoemd en plichten en rechten in detail beschreven. Ook het salaris en eventuele bonus staan duidelijk vermeld. Dit contract is ondertekend in bijzijn van Jonas Gentil en Johannes de Bruijn schepenen van de Heerlijckheid Monster. Op het contract stond een zegel van eene gulde vier stuivers.

Dit unieke document  geeft een prima beeld van wat er van een tuinbaas rond 1700 werd verwacht.

Lees hier onder het hele verhaal van Thomas van Es en zijn vrouw.

BUITENPLAATS GEERBRON MONSTER

Bovenstaande foto is een detail van de kaart van Kruikius van 1712.

Deze kaart van het gehele gebied van het Hoogheemraadschap van Delfland hangt in zijn "grootsheid" in de hal van het hoofdkantoor van het hoogheemraadschap, Phoenixstraat 20 te Delft.

De werkgroep Oud Monster heeft in 1980 een boekje uitgeven : Geerbron en zijn bewoners  Geschiedenis van een Monsterse buitenplaats.

MEERBURG bij ZOETERWOUDE

Buitenplaats  Berbice in  Voorschoten

Over de Buitenplaats Berbice in Voorschoten  van Pieter de la Court van der Voort  is de geschiedenis op een website geplaatst inclusief foto's van de huidige situatie Klik hier

Pieter de la  Court van der Voort

De steenrijke Leidse lakenkoopman Pieter de la Court van der Voort (1664-1739) bezat een statig pand aan het Rapenburg en maar liefst twee buitenplaatsen, Berbice in Voorschoten en het inmiddels verdwenen Meerburg bij Zoeterwoude. Hij was een bekend kunstverzamelaar en een autoriteit op het gebied van tuinieren. Zo kweekte hij als eerste in Nederland een ananas. Ook schreef hij een boek over zijn ervaringen met het aanleggen van tuinen en het kweken van groenten, fruit en bijzondere vruchten en bloemen. Byzondere aenmerkingen over het aenleggen van pragtige en gemeene landhuizen, lusthoven, plantagien en aenklevende cieraeden verscheen in 1737 en werd een standaardwerk, dat ook in het Frans vertaald is.

Uit het boek blijkt dat De la Court van der Voort veel belang aan betrouwbaar personeel hechtte: 'Tuinlieden hebben veel gelegentheit en aenzoek tot ontrouw; dierhalven is een deugdelyk tuinman, die aen dagelykse verzoekingen ontrent het verkopen van vrugten kan wederstaen, hoog te schatten, en in waerde te houden.' Over het belonen van tuinpersoneel: 'Het gewoone jaer-loon van eenen tuinman is twee hondert vyftig gulden (...), daarenboven geniet hij door verkryginge van een weinig turf en het vergaderen van sprokkel- en ander slegt hout op de plaets genoegdzaam vry brand: ook verschaft hem het overvloedige uit de moestuin genoeg tot zyn nooddruft.'

Het bovengenoemde boek bevindt zich in de bijzonder collecties van de Technische Universiteit Delft.

Kijk ook op de website van het Provinciaal Historisch Centrum van het Erfgoedhuis Zuid-Holland voor veel informatie.

De Leidse Lustwarande

Geschiedenis van de tuinkunst op kastelen en buitenplaatsen rond Leiden 1600-1800   

Henk Rijken, ISBN 90 59970187 

Dit lijvige boek uit 2005 (420 blz) bevat uitgebreide beschrijvingen van ruim 70 buitenplaatsen en kastelen in Katwijk, Wassenaar, Voorschoten, Warmond, Zoeterwoude, Oegstgeest en Leiden. Een en ander is aangevuld met een schat aan prachtige foto’s en details van tekeningen van tuinen en kaarten. Vanuit archieven en bronnen zijn de eigenaren en bewoners opgezocht. Waar mogelijk zijn ook de tuinen beschreven qua stijl, indeling en gebruik. Uiteraard komen ook de hobby’s van de eigenaren in beeld van schiettent tot spelevaren. Ook de al genoemde buitenplaatsen Meerburg en Berbice zijn in dit boek beschreven.

De ontwerpers, adviseurs en inspirators van de tuinen, parken en het groen die genoemd worden, wil ik u niet onthouden:

J.D. Zocher jr, J.D.Zocher sr, Louis Paul Zocher, J.C. Roodbaart, Pieter Post, Jacob Boreel, Jacob van Elswoud, Baron van Spaen, J.G. Michael, Gijsbert van Laar, Daniël Marot, Jan van der Groen, Philipp von Siebold, E. Petzold en de Hortus Botanicus in Leiden.

Aanduidingen als benedentuin, boventuin, overtuin en burgermanstuin komen veelvuldig voor.

Hoveniers en Tuinbazen:

De makers van deze website zochten ook naar de uitvoerders van al dat mooie werk in de omgeving van Leiden. Helaas was de oogst mager.

De Zweed Sven Wittbaum wordt genoemd bij Zuydwijk en Agthoven.Bij Huijs Dever of Huijs te Lisse was er een probleem met de hagen:De opengevallen gaten in de hagen moesten hersteld. Daarvoor was een vakman, de “doornbreyder“ Meijnert Hugerts uit Leiden, in de arm genomen.

In Zuydwijk en ook in Twickel is samengewerkt met drie generaties Schuurmans-Stekhoven. Zij hadden een bloemisterij in Leiden en worden door Gijsbert van Laar in zijn boek Magazijn van Tuin-sieraaden genoemd.

Vermeldenswaard is nog dat op de Lusthof bij Leiderdorp de hagen dermate hoog waren dat de tuinman op een scheerwagen moest gaan staan om ze te knippen.

ONTWERP VOOR KASTEEL ENDEGEEST ROND 1700
BUITENPLAATS SION OP DE KAART VAN KRUIKIUS 1712
BUITENPLAATS SION IN VOGELVLUCHT PERSPECTIEF

BUITENPLAATS SION

Veel voormalige buitenplaatsen zijn volledig verdwenen door sloop en herverkaveling van de plek. Voor de buitenplaats Sion bij Delft geldt dat je haar geschiedenis en de plek op oude kaarten bestudeerd moet hebben om e.e.a. te herkennen. Twee palen van een toegangshek zijn als herinnering gereconstrueerd in het gebied.

Waarom deze buitenplaats in het verhaal van de historie van de hovenier?

Enerzijds omdat het verhaal erg interessant is hoe een voormalig klooster een prachtige buitenplaats wordt en wat er zich afspeelt (geschreven door Jacques Moerman). Maar ook omdat het daarna een succesvol tuinbouwgebied is geworden waar veel plaatselijke ondernemers en hun medewerkers hun boterham verdienen. Ook in de tijd van de buitenplaats zullen veel plaatselijke arbeidskrachten hier emplooi gevonden hebben. Want zoals je op de vogelvlucht en bijgaande beelden ziet was het een bewerkelijke buitenplaats met veel hoge hagen. De advertentie waarin Ypen, Essen, Elsen en Willigen Hakhout te koop wordt aangeboden (11 november 1778) zegt genoeg.

In het testament van Johan Francois van Hogendorp(1779) komt ook een opsomming van tuinattributen en gereedschap voor. Ook dat geeft ons een kleine inkijk in het leven op de buitenplaats Sion.

Met dank voor toestemming voor plaatsing van de tekst van het boekje door de schrijver Jac. Moerman. Het boekje wordt binnenkort opnieuw uitgegeven door de gemeente Rijswijk op wiens grondgebied de voormalige buitenplaats zich bevond.

 

BUITENPLAATS SION VOORAANZICHT
BUITENPLAATS SION ACHTERAANZICHT

 

Bingerden:

Bingerden is voor plantenverzamelaars jaarlijks een feest om rond te kijken. En natuurlijk ga je niet zonder nieuwe planten naar huis.

Voor de enkeling die onbekend is klik hier           

 

 

 

DE TUINBAAS EN ZIJN PLANTEN:

Eigenaren van buitenplaatsen waren vaak verzamelaars die hun planten meenamen van hun vele reizen. Zo raakten de oranjerieën gevuld met exoten. Van de tuinbaas werd verwacht dat hij die planten niet alleen in leven hield, maar vooral dat deze vruchten voortbrachten, zaden produceerden en dat de planten vermeerderd werden. Plantenverzamelingen waren tot ruim 100 jaar geleden voor heel wat buitenplaatsen een statussymbool en een bron van tentoonstellingen, wedstrijden, maar vooral van veel kwekersplezier. Ook een kas of serre, liefst met verwarming, ontbrak doorgaans niet op buitenplaatsen.

In het orgaan ‘Het Nederlandsche Tuinbouw Weekblad’ (wat later ‘Het Weekblad van de KMTP’ werd genoemd en sinds 1950 de titel ‘Groei & Bloei’ draagt) van de in 1872 opgerichte Nederlandse Vereniging voor Tuinbouw en Plantkunde zijn vele staaltjes van kwekerskunst  van tuinbazen beschreven.

 

DE TUINBAAS EN ZIJN STAF:

‘In dienst van de landheren van Oranjewoud’ is de titel van een prachtig boekje, uitgegeven in 2007 en geschreven door Drs Rita Mulder-Radetzky en Barteld de Vries. Dit document beschrijft het leven op de landgoederen en buitenplaatsen van Oranjewoud (bij Heerenveen) van circa 1850 tot 1950. Niet alleen de sfeer is nauwkeurig beschreven, ook de taken en gezagverhoudingen uit die tijd zijn in beeld gebracht. Het geheel is voorzien van relevant fotowerk van werkende mensen, hun dienstwoningen en werkomstandigheden.

Een hele reeks tuinbazen heeft vanaf de aanleg in 1830 de eigenaren “gediend”. Belangrijk was de zorg voor een goede opbrengst van groente en fruit. De tuinbaas hield de financiële administratie bij in een kasboekje. En uiteraard kwam daar de zorg bij om de siertuin en het landgoed goed bij te houden.

Voor wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de tuinbaas, tuinknecht en bosbaas, is dit boekje een topper om te lezen of in bezit te hebben. Het biedt bijna 100 bladzijde goed geschreven informatie.

 Meer hier over in : het Friesch Dagblad

 

 

Dit boekje is ook te koop in het museum Willem van Haren in Heerenveen www.willemvanharen.nl  ISBN/EAN 978-90-801179-5-2 

 

Informatie:

In deze tijd van internet, blackberry en iPhone is er informatie op elke hoek van de straat voor handen. Aan het eind van de negentiende eeuw had de hovenier en buitenman zijn jaarboek of almanak. Deze Staring Almanak voor den Nederlandschen Landman waren prachtige, compacte boekjes die jaarlijks verschenen in de periode 1863-1877.  De Staring Almanak wordt nog altijd uitgegeven door het Staring Instituut in Doesburg, nu onder de naam Almanak Achterhoek

Wat stond er zoal in die Staring Almanak?

Informatie over alle stations en spoorwegen, de tarieven van de telegraaf, alle markten van Nederland met datum en tijd. Jaarwerkzaamheden op de akker, aan het huis, in de moestuin en het bos. De proefstations met hun tarieven en adviezen over het aantal planten per ha en hoeveel bemesting per ha.Provinciale landbouwverenigingen, enz, enz.

Maar het leukste vond ik toch wel de jaarkalender met de nummering van de dagen, zonsop- en zonsondergangstijd en bij elke dag wel een natuuropmerking. Zo staat er in januari:

Speenkruid ontluikt, Nachtuil roept, Hazelaar bloeit, Hoefblad ontluikt, Sneeuwklokje toont bloem. Deze is gekopieerd als tijdsbeeld voor de tuinbaas/landman rond 1870. Maar alle natuuropmerkingen zijn ook nu nog bruikbaar.

Deze Staring Almanak voor den Nederlanschen Landman is te bekijken in de speciale collecties van de Wageningse Universiteit, bibliotheek Forumgebouw.

 Klik  hier voor enkele pagina's uit deze almanak

 

DE TUINBAAS ANNO 2000NU

Op dit moment zijn er naar schatting nog 250 tuinbazen werkzaam op de Nederlandse buitenplaatsen en landgoederen. De meesten van hen werken solitair of met een tuinknecht. De functienaam verschilt, maar beheerder komt het meeste voor.

De eigenaar van een buitenplaats is tegenwoordig steeds vaker een overheidsinstantie, vereniging als Natuurmonumenten of particuliere stichting. Hierdoor verdwijnt niet alleen de functie van tuinbaas, maar vooral ook de verbondenheid van de tuinbaas als mens aan de buitenplaats. Daarmee dreigt ook de specifieke kennis verloren te gaan.

Om die kennis van het beheer van buitenplaatsen te behouden, is het Gilde van Tuinbazen opgericht. Dit initiatief is ontstaan vanuit de opleiding ‘Tuinkunst & Parken: historie en instandhouding’ aan de Hogeschool in Utrecht.

In 2009 is aan het AOC in Friesland een MBO-opleiding voor tuinbaas van start gegaan. (zie pdf artikel Tuin&Landschap)

 

Vereniging Het Gilde van Tuinbazen.

Het Gilde is een genootschap van professionele, vakbekwame tuinbazen die de hoogste graad van dit vakmanschap nastreven en bovenal delen.

Het Gilde tracht dit te doen door middel van het organiseren van een aantal vakgerichte bijeenkomsten per jaar en het heeft een eigen blad dat ieder kwartaal verschijnt. Regelmatig worden er speciale themanummers gepubliceerd over o.a. over leifruit, citrusfruit en stinzenflora.

In 2003 is de vereniging opgericht en telt tegenwoordig plusminus 100 leden'.

Zie de website :  Het Gilde van Tuinbazen

De redactie van de website vindt dit boek een zeer belangrijke aanvulling op de beschrijving van de historie van het ambacht tuinbaas en hovenier in Nederland. Vooral de interviews van de tuinbazen geven een zeer preciese en nauwkeurige weergave van het tuinmanswerk. Dit in combinatie met het fotowerk van tuinbaas Johan van Galen Last is dit boek een “must” voor een ieder die dit onderwerp ter harte gaat.

 

NIEUW BOEK:

De tuinbaas en zijn buitenplaats    werken in historisch groen Schrijver: Gertrudis A.M. Offenberg       ISBN         9789040077029 prijs 29,95 euro Uitgever: Waanders

In het kort

Een belangrijk deel van de buitenruimte in ons land bestaat uit monumentaal historisch groen – kasteeltuinen, buitenplaatsen, landgoederen, kloosterterreinen, stads- en heemparken, horti en arboreta. Al die tuinen en parken vormen een substantieel deel van ons levend (horti)cultureel erfgoed. De hoge kwaliteit van deze terreinen wordt meestal bewaakt door de ‘tuinbaas’. Dit boek bevat een inventarisatie en documentatie van 24 buitenplaatsen, landgoederen en andere historische tuinen, die grotendeels rijksmonument zijn. Door middel van uitgebreide gesprekken met de tuinbaas (een niet meer alom bekende term, tegenwoordig spreekt men van beheerder, opzichter of zelfs groenmanager), geplaatst in hun cultuurhistorische context, is belangrijke horticulturele kennis vastgelegd. Kennis die anders verloren dreigt te gaan, omdat deze beroepsgroep geen schriftelijke traditie kent. In Werken in historisch groen komen alle aspecten van behoud en onderhoud van monumentale tuinen en parken aan de orde, niet alleen de keuze van beplanting, het onderhoud van bomen en struiken, maar bijvoorbeeld ook lastige wetgeving, arbeidsverhoudingen, publieksvoorlichting. Het boek is boeiend geschreven en rijk en fraai geïllustreerd.

(bovenstaande tekst is van de uitgever)

JAN SWITSER ,DE TUINBAAS DIE LANDMETER WERD IN DE BEEMSTER 

Jan Switser: van tuinman tot landmeter

In een perkamenten manuscript beschrijft Jan Switser (1739-1791) op 173 foliobladen zijn leven als tuinman en later als landmeter. Jan, de tweede zoon van de Duitse tuinman Albert Switser en in Amsterdam geboren, verhuisde als negenjarige naar de Beemster waar zijn vader tuinbaas werd bij dijkgraaf Balthasar Coymans op diens landgoed aan de Volgerweg.

Na de lagere school krijgt Jan les van Adriaan Visscher in Purmerend in lezen, schrijven, rekenen, meetkunde, Italiaans, stuurmanskunst en scheepsboekhouding. Als16-jarige wordt hij tuinkmecht bij zijn vader. Een jaar later verlaat hij de Beemster, werkt korte tijd in Alkmaar, daarna in Maaslandsluis (Maassluis) en in Overschie. In 1759 keert hij naar de Beemster terug en gaat er op Volgerlust als tuinbaas werken bij het rijke Hoornse echtpaar Joan en Agatha van Foreest (neef en nicht). Hij wordt er goed betaald en trouwt – 24 jaar oud – met Elisabeth Gouwenaar, het kindermeisje van de familie. Joan van Foreest sterft echter in 1766, slechts 33 jaar oud.

Onduidelijk is waarom weduwe Agatha hem in 1768 ontslaat. Hij kan evenwel gelijk aan de slag op de nabij gelegen buitenplaats Beemsterlust van Klaas de Jong. Jan heeft het daar minder naar z’n zin. En als op een dag landmeter Jan Peereboom de buitenplaats bezoekt, noemt Jan Switser dit later het kantelpunt in zijn leven. Hij wil landmeter worden. Hoe dat gaat, beschrijft Jan uitvoerig. Vanaf die tijd woont hij in Purmerend.

Een van de transacties die hij uit deze periode beschrijft, is de verkoop van buitenplaats Sandwijck in de Purmer, waar hij in opdracht in 1790 een bos aan legt. Zijn kennis van buitenplaatsen komt hem hier goed van pas. In datzelfde jaar sluit Jan Switser zijn levensverhaal af met de moraal: “Leef verstandig en vertrouw op God.” Niet lang daarna overlijdt hij.

 

AGATHA VAN FOREEST 1737-1801

Wilt u meer weten over het leven van Jan Switser beschreven  in het boekje van Jack Otsen? 

De redactie heeft de belangrijkste items voor u samengevat:

 

BIJSCHRIFT AFBEELDING RECHTS RECHTS: Deel van de kavelkaart van de Beemster van Jan Switser in 1769, een revisie van de kaart van Daniel van Breen uit 1658. 

BIJSCHRIFT AFBEELDING LINKS:   Kaft van het boekje over Jan Switser wat nog steeds verkrijgbaar is bij de historische vereniging van Purperend in hun verenigingslokaal 

 

In zijn dagboek bericht hij  over de buitenplaats Zantwijck in de Purmer. Hij mag daar in 1790 voor de burgemeester van Edam een bos aanleggen Zijn bestelling van de stuiken en bomen in Aalsmeers staan met aantallen vermeld

Hiernaast treft u een kaart aan uit 1850 waarop de buitenplaats duidelijk is ingetekend.

Op de huidige kaart is de plek ook aangegeven maar er zijn geen zichtbare herkenningen van Zandwijck te vinden.

 Het handschrift van Jan Switser en zijn Nederlands zijn op ze zachts gezegd slordig en onnauwkeurig. Sommige woorden worden soms op 4 of meer verschillende manieren geschreven.

Jack Otsen schrijft daar over in zijn boekje.

Er is ook een stuk in zijn document waarin hij een voorbeeld van een bosaanleg beschrijft.

Hij wil de kosten en de opbrengst van de aanleg van een bos over 25 jaar zichtbaar maken voor zijn “nageslacht”

Opvallend  voor de niet ingevoerde lezer zijn de maten die per streek in de nederlande verschillend waren.

Een morgen land 8516 m2, een Rijnlandse roe 14,19 m2, een snees 232 m2 (200m2 beteelbaar rest paden) een gars 2900 m2, eenvoet o,314 m

 Met hulp van de heren Jacques Moerman  en Kees van der Wiel (dank daarvoor) doen we een poging u daar zicht op te geven. De geïnteresseerde calculators onder de hoveniers en tuinbazen zullen nog veel vraagtekens aantreffen,maar we willen u deze puzzel  niet onthouden.