Het onderwijs

 

Het onderwijs is een beladen onderwerp, al meer dan een eeuw lang, en altijd in beweging.

In de afgelopen dertig jaar heb ik een onderwijsman wel eens horen verzuchten: “Er zou nu een wet moeten komen dat er 5 jaar lang niets veranderd mag worden aan het onderwijs’. Maar er kwam altijd weer een andere vorm of richting. Het agrarisch onderwijs heeft daar ook wel steeds wat van meegekregen.

Deze website gaat te hooi en te gras door dit belangrijke onderwerp heen en heeft diverse mensen met verschillende achtergronden om bijdrage gevraagd.

Voor wie zich goed wil voorbereiden: De geschiedenis van de school in Nederland door  P.Th.F.M.Boekholt en E.P.Booy vanaf 1806 is te lezen via de digitale bibliotheek van Nederland : klik hier 

 Vrijwilligerswerk

Door veel ondernemers/hoveniers en opzichters/management van gemeentelijke groendiensten is er veel tijd geïnvesteerd in het onderwijs de aflopen 60 jaar. Zij namen plaats in begeleidingscommissies van vakscholen en hielpen zo de scholen het goede niveau te bewaren. Zij waren vooral ook de brug naar de dagelijkse praktijk.

Jaarlijks waren/zijn er examens en werden deze mensen uit de praktijk uitgenodigd om als vakgecommitteerde te zorgen voor een goed verloop van de examens. Ook Louis Egbers heeft dit werk vele jaren gedaan. Op ons verzoek heeft hij een bijdrage geschreven. 

Foto hier naast: De praktijkleraar van de vakschool  uit De Bilt, de heer van Rhenen  had goede relaties met de groenvoorziening van de gemeente en beschikte daardoor over veel oefenruimten.Foto uit 1958

 

De historie van het hoveniersonderwijs.

Het hoveniersberoepsonderwijs maakt deel uit van het agrarisch onderwijs en valt als zodanig onder de verantwoordelijkheid van de minister van LNV. De ontwikkeling van het hoveniersonderwijs kan dan ook niet los gezien worden van de historie van de agrarische ontwikkeling.


In de tweede helft van de 19e eeuw was de sociale en technische situatie op het platteland bepaald niet rooskleurig. Velen maakten zich daarover grote zorgen en men trachtte daar gezamenlijk wat aan te doen. Het was het ontstaan van de coöperaties en landbouworganisaties. Met name de landbouworganisaties hebben bij het agrarisch onderwijs een grote betrokkenheid gehad.
Aanvankelijk waren de scholingsprojecten vooral gericht op de landbouw. De provinciale en landelijke organisaties hebben zich hiervoor ingezet. De tuinbouw werd meer in bepaalde streken of centra bedreven waar de onderlinge contacten beter waren. Het is ook de landbouw waarmee het agrarisch onderwijs is begonnen.
De Middelbaar Onderwijswet van 1863 maakte het mogelijk dat aan een HBS een landbouwafdeling werd verbonden. In 1874 kwam een succesvol experiment in Wageningen tot stand. Hieruit ontstond in 1876 aldaar de Rijkslandbouwschool de voorloper van de Landbouwhogeschool. Hoewel een rijksschool, kwam het initiatief uit de particuliere organisaties.


Het hoveniersvak werd vrijwel uitsluitend op buitenplaatsen bedreven. Naast het telen van consumptiegewassen was de zorg voor tuin en omgeving zeer belangrijk.
In 1872 werd de Nederlandsche Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde opgericht (de tegenwoordige KMTP-Groei & Bloei). Zij heeft zich vanaf het begin sterk gemaakt voor het tuinbouwonderwijs. Mede door haar lobby bij de regering kwam er 20 jaar na de start van de Rijkslandbouwschool, een zelfstandige afdeling Tuinbouw bij deze vakopleiding in Wageningen. Ook deze was weer gericht op de productieteelten.

Het eerste onderricht in tuinaanleg was weer een volledig particulier initiatief. In Watergraafsmeer werd door enkele bloemisten eind 1867 de Tuibouwschool "Linneaus" gesticht. 
Helaas moest deze in 1894 de deuren weer sluiten. Andere initiatieven hadden meer succes, zoals de tuinbouwschool van de Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord (1884) en de bedrijfscursussen van de Heidemij die in 1903 van start gingen. Uit deze Heidemij-cursussen zijn de HBCS (nu onderdeel van de hogeschool Van Hall-Larenstein in Velp), de MBCS (nu onderdeel van Helicon) en de praktijkschool in Schaarsbergen ontstaan.


De Rijksoverheid was aan het eind van de 19e eeuw eindelijk doordrongen van de noodzaak tot goed vakonderwijs voor de productieteelten. Uit de land- en tuinbouw(winter)scholen in de teeltcentra zijn later de middelbare tuinbouwscholen ontstaan. Daarna zetten de landbouworganisaties zich in voor de oprichting van deze landbouwwinterscholen.
De Rijksland- en tuinbouwconsulenten kregen doorgaans de verantwoordelijkheid voor deze scholen. Naast hun zorg voor onderzoek en voorlichting ontstond het voor de sector befaamde OVO-drieluik dat tot eind jaren 50 heeft gefunctioneerd. 
OVO staat voor Onderzoek, Voorlichting en Onderwijs.

Begin twintigste eeuw:

In de eerste decennia van de 20e eeuw kwam het cursusonderwijs tot ontwikkeling. Met financiële steun van het ministerie werd hiervan intensief gebruik gemaakt. Vele afdelingen van de KMTP hebben cursussen georganiseerd. De basis was de tweejarige algemene tuinbouwcursus, allengs aangevuld met kortere gespecialiseerde cursussen.

Door de crisis in de jaren 30 hebben velen geprobeerd om in het tuinonderhoud een bestaan op te bouwen. Met de vakkennis was het echter droevig gesteld. Dat was aanleiding voor een aantal vakgenoten om een cursusprogramma op te stellen voor de hoveniers. Door samenwerking van de inmiddels actieve Kring Hoveniers en de KMTP werd de COC-Hoveniers (Centrale Onderwijs Commissie) opgericht met plaatselijke vakcommissies. Deze opleiding, die incl. de vereiste algemene tuinbouwcursus was, duurde totaal 6 jaar. De opleiding werd afgesloten met een centraal examen, naderhand genoemd Vakbekwaam Hovenier. Aangezien dit diploma ook voor de vestigingswet gold als voorwaarde voor vakbekwaamheid, kreeg het ook een formele status. Het was avondonderwijs en daardoor zeer belastend. Inmiddels was het instituut Vakschool ontwikkeld..


Na de oorlog: 

Na de oorlog van 1940-1945 is eerst weer het onderwijs voor de productieteelten opgestart, maar in 1948 kwam ook de Hoveniersvakschool te De Bilt tot stand. Het opleidingsprogramma en de exameneisen waren in principe gelijk aan het cursusprogramma. Aanvankelijk dienden de afgestudeerden ook nog het landelijk examen af te leggen om daarmee de formele erkenning te verwerven.

Het aantal vakscholen nam gestaag toe. Doorgaans waren ze verbonden aan de lagere tuinbouwscholen, die meestal ook het cursusonderwijs verzorgden. De lagere land- en tuinbouwscholen werden vanaf 1955 scholen met volledig dagonderwijs. Er was inmiddels een ruim net van dit schooltype in het land tot stand gekomen, uiteraard weer voor de productie van land- en tuinbouwgewassen.

In 1957 kwam in Amsterdam de eerste stedelijke tuinbouwschool tot stand met als vakrichtingen hovenier en bloemschikken. Dit werd gevolgd in Den Haag (1959), Haarlem (1962) en Rotterdam (1963). Daarna zijn over het hele land dergelijke scholen opgericht.

Een nieuw fenomeen was het leerlingwezen. Hoewel dit reeds in 1919 in de Nijverheidswet was geregeld, heeft het in de agrarische sector geen opgang gemaakt. In 1961 werd een wetsontwerp ter regeling van het leerlingwezen ingediend. Dit resulteerde erin dat in 1966 een drietal landelijke organen voor de landbouw kwamen. Een eerste proefopzet ging onder andere te Rotterdam (1964) van start. Hevige discussies in de COEC-Hoveniers (Centrale Onderwijs en Examen Commissie) waren er tussen voor- en tegenstanders. Uiteindelijk heeft toch het leerlingwezen het pleit gewonnen.

Grote gevolgen voor het beroepsonderwijs heeft de invoering van de Mammoetwet gehad. Er kwam voor alle beroepsopleidingen een brugjaar en er werd gestreefd naar verbreding en veralgemenisering. Het werd meer een beroepsoriëntatie dan een beroepsopleiding. 

Een bijzonder instituut in het agrarisch onderwijs zijn de praktijkscholen. Het zijn scholen die voor het reguliere onderwijs ondersteunende lessen verzorgen. In het algemeen ging het om lessen waarvoor kostbare investeringen noodzakelijk waren, alsmede gespecialiseerde instructeurs. Voor de groene sector was hiervoor nog geen voorziening. Uiteindelijk mocht in 1985 aan de praktijkschool voor Bosbouw en Cultuurtechniek in Schaarsbergen (Arnhem) een zelfstandige richting voor de groene sector worden verbonden.

L. Egbers (1933)

Over de auteur: De heer L. Egbers heeft zijn eigen opleiding genoten op de Hogere Tuinbouwschool in Frederiksoord 1951-1955. Daarna is hij van 1958 tot 1971 werkzaam geweest bij de gemeente Rotterdam, waar hij onder andere leiding gaf aan de gemeentekwekerij. Van 1971 tot 1989 was hij hoofd plantsoenen gemeente Dordrecht, afdeling Groen en Recreatie. Zijn onderwijs“carrière” is hij gestart in Rotterdam met het verzorgen van het cursusonderwijs. Hij is mede-oprichter van de Tuinbouwschool Hugo de Vries in Rotterdam en was daaraan jaren als bestuurslid verbonden. Vele jaren heeft hij ook gewerkt voor de COEC-Hoveniers, onder meer als vice-voorzitter en voorzitter. Voor de Vereniging van Hoofden van Beplantingen heeft hij ook veel energie gestoken in de praktijkschool in Arnhem en de fusieperikelen daarna met andere praktijkscholen.

Van Mammoetwet tot heden

De veranderingen in het onderwijs nemen vanaf de jaren 60 hand over hand toe. Naast de reguliere opleidingen start het ILO, het individueel lager beroepsonderwijs. Deze vorm van onderwijs, waarin de praktijk centraal staat, is gericht op minder begaafde leerlingen. Voor de hoveniersopleidingen is in het ILO met name het onderhouden van tuinen het belangrijkste thema.

Een andere ontwikkeling is die van de praktijkscholen. De praktijkscholen in Ede (IPC Plant) en Schaarsbergen (IPC Groene Ruimte) worden vanaf deze periode met regelmaat bezocht door leerlingen van de diverse hoveniers- en groenvoorzieningsopleidingen. Toegerust met het modernste materieel, verzorgen daar experts de trainingen op het gebied van gazononderhoud, het werken met de motorkettingzaag en het werken met de trekker. Voor veel leerlingen een welkome afwisseling van het schooljaar. Beide praktijkscholen bestaan nog steeds en verzorgen naast praktijkschoolweken voor scholen ook maatwerktrainingen voor het bedrijfsleven.

In 1968 wordt de Mammoetwet van kracht, met als gevolg het ontstaan van het LBO (lager beroepsonderwijs), het MBO (middelbaar beroepsonderwijs) en het HBO (hoger beroepsonderwijs). Als leerling van de Christelijke Lagere Tuinbouwschool in Boskoop moest ik aan het einde van de rit een keuze maken voor een vervolgopleiding. Door de Mammoetwet was het LBO namelijk geen eindopleiding meer. Om hovenier te worden waren er twee mogelijkheden tot vervolgopleiding: het leerlingstelsel en de middelbare tuinbouwschool. De keuze was snel gemaakt. Ik koos voor het leerlingstelsel. Eén dag in de week naar school en vier dagen werken op een hoveniersbedrijf. De school richtte zich het eertse jaar met name op het onderhouden van tuinen. Gazononderhoud en onderhouden van beplantingen stonden centraal. Werd het examen na dit eerste jaar met goed gevolg afgelegd dan dan was je Aankomend Hovenier. In het tweede en derde jaar werd alle aandacht geschonken aan het ontwerpen en aanleggen van tuinen. Tuintekenen, toegepaste beplantingsleer, landmeten en waterpassen en praktijklessen, gericht op de aanleg, vulden het lesrooster. Daarna mocht je je Vakbekwaam Hovenier noemen.

Na een aantal jaren werken, ging ik alsnog naar de Rijks Middelbare Tuinbouwschool in Utrecht. Ik wilde docent ‘Aanleg en Onderhoud van Tuinen’ worden en daar was allereerst een MBO-opleiding voor nodig. Het grote verschil met het leerlingstelsel waren de algemeen vormende vakken die op het rooster stonden. Vakinhoudelijk waren de verschillen minimaal. Van eerder of elders verworven competenties had men in deze periode nog niet gehoord, met als gevolg dat er geen vrijstellingen bestonden.

Na het behalen van het diploma Middelbare Tuinbouwschool stroomde ik door naar de STOAS, de lerarenopleiding. Deze opleiding is in 1981 van start gegaan met als doel één lerarenopleiding voor de beroepsgerichte vakken in de hele groene sector. Uiteindelijk ben ik als docent aan de slag gegaan.

De ontwikkelingen in het onderwijs gaan vanaf de jaren 80 snel. De AOC’s (agrarisch opleidingscentrum) ontstaan. Praktijkscholen fuseren. Er vindt een herschikking van opleidingsplaatsen plaats. En de opzet van het groen onderwijs wordt in het ODC, het overzicht van diploma’s en certificaten, beschreven. ‘De ene verandering is nog niet afgelopen of de volgende dient zich alweer aan’, is een veel gehoord geluid. De veranderingen zijn over het algemeen niet gericht op de vakinhoud, maar veel meer op het pedagogisch en didactisch gebied.

De doelen van het ODC zijn: een betere aansluiting op de arbeidsmarkt, afstemming tussen de verschillende opleidingsniveaus, maatwerk voor diverse doelgroepen en het terugdringen van ongediplomeerde uitstroom. Het ODC werd gevolgd door KS 2000+ (KS staat voor kwalificatiestructuur) en momenteel zijn de opleidingen beschreven in een CKS (competentiegerichte kwalificatiestructuur). Op basis hiervan richt het groenonderwijs zich op het opleiden van competente medewerkers, waarbij een competentie bestaat uit kennis, vaardigheden en attitude. Ook het leren buiten de hekken van de school krijgt in toenemende mate vorm, terwijl het leveren van maatwerk aan bedrijfsopleidingen geen utopie meer is.

Voorlopig gaan de ontwikkelingen in het hoveniersonderwijs door. Meer samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven is door alle partijen gewenst.

Jan van Driel, consulent Ontwikkelcentrum Ede 

Over de auteur: De heer J. van Driel heeft zijn opleiding genoten aan de Chr. Lagere Tuinbouwschool in Boskoop, de Rijks Middelbare Tuinbouwschool in Utrecht en vervolgens de STOAS- lerarenopleiding. Zijn onderwijscarrière is hij in 1981 gestart aan de Tuinbouwschool Hugo de Vries te Rotterdam als docent aanleg en onderhoud van tuinen. In 1985 heeft hij de overstap gemaakt naar de Rijks Middelbare Tuinbouwschool in Utrecht. Vanaf 2000 is hij fulltime werkzaam voor het Ontwikkelcentrum in Ede. Naast zijn docentschap is hij betrokken geweest bij landelijke, groene onderwijsprojecten.

 

Foto 1.Beoordeling van een “tuintje”. De beplanting werd toen nog aangegeven met een naam op een houten spaan.
Foto 2. De juiste hoogte af lezen en enkele meetkundige figuren uit zetten was toen de praktische kant van landmeten en waterpassen.
Foto 3. De techniek van “een muurtje” maken stond toen nog in de kinderschoenen.
foto 4. Heel belangrijk was toen de juiste planten in een z.g. Rotspartij aanbrengen. ( zie de rotsblokken liggen).
Foto 5. In 1979 was er al veel ten goede aangepast. Tijdens het onderdeel “Techniek van de Aanleg” werden de kandidaten beoordeeld o.a. Het juiste inzicht, goede volgorde van werken en het juiste gebruik van gereedschap.
Foto 6. Bij de eindbeoordeling werd daarnaast toch wel goed gekeken of de koprollaag wel waterpas stond.
Foto 7 De vakvaardigheid toonde zich door mooi strak werk

 

De foto's 1, 2, 3 en 4  zijn genomen op het examen 1 ste knecht Hovenier in1958. De plaats was het oude gedeelte van de gemeente kwekerij Frankendael in Amsterdam  Op de eerste foto herkennen we (al zien we hem op de rug) Jan van den Berg uit Wassenaar . Deze man heeft vele jaren examens afgenomen, was vaak dagvoorzitter en is ook vele jaren voorzitter van de Centrale Onderwijs Examen Commissie geweest. De overige foto's zijn van het examen in 1975.

Op foto 5 en 6 herkennen we Louis Egbers en Jan Eijs

De bovenstaande foto's zijn verzameld door Jan Eijs uit Wassenaar, voornamelijk tijdens de periode dat hij lid cq voorzitter was van de C.O.E.C. .

Bovenstaande foto is niet van een examen maar van de Skil beroepewedstrijd 2009.  2 Leerlingen werken aan de opdracht een stukje tuinaanleg te presenteren. Dus eigenlijk toch een examen.

 

Deel van de klas Frederiksoord 1978 Hydepark Londen

Middelbare Tuinbouwschool Frederiksoord A&O 1979

In 2004, toen het vakblad Tuin&Landschap 25 jaar bestond, heeft journaliste Suzan Crooijmans 19 leerlingen opgezocht die in 1979 hun diploma Middelbare Tuinbouwschool A&O te Frederiksoord behaalden. Dit om te kijken wat er van hen geworden was en wat ze aan hun opleiding gehad hadden. Het ging om 5 meisjes en 14 jongens. Die jongens moesten meestal snel na het behalen van hun diploma in militaire dienst.

Na 25 jaar in 2004 is meer dan de helft nog werkzaam in het groen. Vijf man werken in gemeentelijke of provinciale dienst, drie zijn zelfstandig ondernemer, twee werken op een tuincentrum. Acht oud-leerlingen zijn omgeschoold en doen werk waar ze hun opleiding in Frederiksoord niet voor nodig hadden en een is er werkloos. Van de omscholers hebben drie het milieu als onderwerp van hun nieuwe baan. Het positieve bij het lezen van de 19 interviews is dat ze allen met een goed gevoel terugdenken aan de opleiding, iets wat je nu vaak anders hoort.

 In het artikel van Tuin&Landschap van juli 2004 te lezen hoe het de leerlingen uit Frederiksoord in de afgelopen  25 jaar is vergaan

Klik hier 


Maandblad voor het Land -en Tuinbouwonderwijs, Agrarisch Onderwijs en Vakblad Groen Onderwijs.

 Het zijn de achtereenvolgende titels van het vakblad voor docenten,managers,ondersteuners, bestuurders ,beleidmakers en andere belangstellende in het groene onderwijs dat in 2008 een halve eeuw bestaat.

Ter gelegenheid daarvan brengt de redactie in" Een halve eeuw Vakblad" de historie van het periodiek in beeld tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de groene sector en het overige onderwijs

 

Uit deze dit boekje met 50 jaar geschiedenis (ISSN0925-837x) mochten wij 2 interviews over het groene onderwijs weergeven. Wij hebben gekozen voor Jan van Driel en Anneke Schilperoord.

AEQUOR

Aequor kent als naam en organisatie nog geen lange geschiedenis. Maar als je het heden ten dage over het onderwijs hebt, dan kom je onherroepelijk deze organisatie tegen.

In de 21ste eeuw is schaalvergroting het toverwoord. Aequor is daar een product van. Zij brengt bedrijfsleven, kennis en onderwijs op alle niveaus bij elkaar. Dit doet ze niet alleen voor de groene ruimte, maar ook voor voeding, planten en dieren. De organisatie wil een spiegeling voor het onderwijs en het bedrijfsleven zijn.

Maar helaas per 1 augustus 2015 zijn de aktiviteiten van Aequor gestopt. De redactie schrijft helaas maar kan dit niet met argumenten omkleden.

De nieuwe naam is nu : SBB =  Stichting BEROEPSONDERWIJS &  BEDRIJFSLEVEN

Klik hier voor de website

 

 

Hovenier en stagiair van erkend leerbedrijf Zaaijer aan het werk in de tuin van een klant mei 2010