De hovenier als ontwerper en tuinarchitect

Op buitenplaatsen bedacht veelal de vast aangestelde tuinbaas of hovenier de tuinplannen voor herinrichting van tuingedeelten of nieuwe toevoegingen. Ook nu nog ontwerpen heel veel hoveniers tuinen voor hun opdrachtgevers. Als het een nieuwe tuin betrof of de totale heraanleg van een tuin, dan kreeg in veel gevallen niet de tuinbaas of hovenier de opdracht hiervoor een plan uit te werken. Menig eigenaar schakelde dan een specialist in: de tuinarchitect. Dat was in de baroktijd al zo en dat gebeurt ook nu nog altijd zo.

Zo is er door de eeuwen heen altijd plaats geweest voor op het ontwerpen van tuinen en parken gespecialiseerde tuinarchitecten. Zeker bij grootschalige projecten is een tuin- of landschapsarchitect welhaast ondenkbaar. Volledigheidshalve moet hier nog een aparte groep van groenontwerpers wordt gevormd, de beeldend kunstenaar. Sommige van hen werpen zich op als ruimtelijk vormgever en gebruiken groen als middel om hun creatie vorm en inhoud te geven. Maar de uitvoeringsfase ligt uiteindelijk weer in handen van de hovenier, bij grootschaliger projecten in handen van de groenvoorziener.

Het op deze website eveneens geschetste ‘product’ van de hovenier laat zien dat van oudsher verwevenheid van activiteiten en functies bestaat. Zo maakte – en maken nog steeds –tuinbazen en hoveniers zelf tuinontwerpen voor hun opdrachtgevers. Historisch bezien sluit de werkwijze van de drie generaties tuinarchitecten Zocher hierop aan. Zij beperkten zich als tuinarchitect niet tot levering van tuinontwerpen en de directievoering over de aanleg. Ze voerden ook het werk uit en gebruikte daarbij plantmateriaal uit eigen kwekerij.

Leonard Springer, die op zich veel bewondering had voor de werken van de Zocher’s, wilde niets van deze koppeling van activiteiten weten. Hij zag de tuinarchitect als een zelfstandig beroepsbeoefenaar. Zijn credo was: de tuinarchitect moet een geheel zelfstandige plaats innemen. Om zijn gedachtengoed een maatschappelijke basis te geven, richtte hij samen met enkele medestanders in 1922 de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten (BNT) op. Alleen na strenge selectie toegelaten tuin- en landschapsarchitecten mochten de beroepstitel BNT achter hun naam voeren. Deze gedragsregel is sinds 1 oktober 1988 ‘geformaliseerd’ in de Wet op de Architectentitel. De beroepsaanduiding Tuin- en Landschapsarchitect is sindsdien een beschermde titel en voorbehouden aan diegenen die aan vastgestelde kwalificatie-eisen voldoen. Degenen die zich Tuin- en Landschapsarchitect mag noemen staat in het Architectenregister. Wie niet in dit register staat, is het bij wet verboden om aan zijn beroepsaanduiding het woord ‘architect’ toe te voegen.

Ondanks het initiatief van Springer en tijdgenoten en de latere wettelijke bescherming van het beroep van tuin- en landschapsarchitect zijn de afgelopen honderd jaar niet zonder discussies over het werkgebied van de hovenier en de tuinarchitect. Een wederzijds het gevoel dat de een teveel de ander in het vaarwater zit, ligt hieraan ten grondslag. Soms leverden die verschillen van inzicht heftige discussie op, die dan weer breed zijn uitgemeten in vakbladen. Een oud voorbeeld van zo’n discussie is in 1946 gepubliceerd in het vakblad De Boomkweekerij (voorloper van het vakblad Groen): zie pdf hieronder

                                                                                   . 

 

Van tuinjongen tot tuinarchitect:

 

Op de buitenplaats Schoonoord  in Doorn viel Hendrik van Lunteren als tuinjongen op door ijver en aandacht bij de heer H.J. Swellengrebel de eigenaar van de buitenplaats Als 15 jarige is Hendrik gekomen (1795) en als hij bijna 20 is schrijft zijn baas deze brief:

 

                                                                                                        Aan Hendrik van Lunteren

           Mijn Hendrik !

De ijver,waarmede Gij U op uw werk toelegd, en verder zoekt bekwaam te maken, geeft mij groot genoegen, en spoord mij aan, U daar van ook een bewijs na mijn dood te laten .Meer dan eens heb ik U gesegd, dat een ander niet behoeft te weten,op hoedanig een wijse ik met U handel; het is daarom, dat ik voorleden jaar heb begonnen een somme voor U uitteleggen met voornemen omdat, so lang gij in dit uw goed gedrag voortgaat, ’s jaarlijkse  te  vervolgen, en versegeld, als iets aan u toebehorende, na mijn dood te doen ter hand stellen.Gij kunt dus gerust seggen,dat dit iets is, het geen ik van u in bewaring had.Mijn leven, hope ik, sal sich nog lang genoeg uitstrekken om deze somme van enig aanbelang voor U te doen oplopen. Dog hoe gering die ook mogen wesen, ontfang se als een blijk mijner vaderlijke genegenheid voor u, besteed ze wel en tot wesentlijk nut; Ga met den selven ijver voort, dan kan een goed gedrag u met recht doen uitzien op een eerlijk en genoegelijk bestaan.Ik hope tot mijn dood te zullen moge blijven Uw zeer toegenegen vriend

Den  3 januari 1800                                                                                         H J Swellengrebel

 

Bij het overlijden van de heer Swellengrebel in 1803 ontvangt Hendrik net als alle  andere personeelsleden 25 gulden voor elk jaar dat hij in dienst is  maar buiten dat ontvangt hij 2000 gulden als legaat om een bedrijf te starten en de verzameling flora’s, plantenboeken kaarten en globes als mede de verzameling planten van de buitenplaats Schoonoord.

De heer des huizes had het goed gezien het gaat goed met Hendrik en hij wordt een bekend en vakbekwaam tuinarchitect  .Lees meer van hem in wikipedia.

Zijn biografie staat op de website van het Nederlands Architectuur Instituut (NAI) Cornelie Wiarda beschrijft zijn succesvolle carrière.

Zijn zoon Samuel volgt hem op runt ook Flora’s Hof In Utrecht de plek waar hij gestart is met het legaat van Swellengrebel.

En zeer uitzonderlijke start voor een loopbaan in het groene vak

 

BUITENPLAATS SCHOONOORD TE DOORN

Dit bovenstaande codicil bevind zich in het Utrechts archief en is aan Hendrik van Lunteren ter hand gesteld na het overlijden van de heer H.J. Swellengrebel. Het bevat de brief waarvan de tekst hier boven is vermeld ,als mede het testament opgesteld op 8 okt 1798 en aangepast 27 juni 1802  Ook een lijst met van boeken opgesteld 3 juli 1802.Op deze lijst bevinden zich o.a. boeken van J.H. Knoop : De huishoudelijke hovenier en De weldadadige hovenier-konst (waar van meer op deze website) Een verhandeling over de “voorteling” van planten en dieren  Geografie door Krayenhoff  en nogal wat Engelse tuinboeken Ook de instrumenten en papieren en boeken over landmeetkunde staan op de lijst

 

 

Johannes Montsche 1734 -1799 hovenier landmeter en tuinarchitect.

In Amsterdam geboren, hij heeft in Duitsland (mogelijk Potsdam) gewerkt en zijn opleiding genoten.

Zijn naam staat in advertenties in de Oprechte Haarlemmercourant maar ook in de Amsterdamse courant. Arinda van der Does eigenaar van TuinTerTijd, bureau voor tuinhistorie onderzoekt met name de tuinkunst in  de periode 1750 – 1830, is in het leven van deze man gedoken.

Buiten de genoemde advertenties zijn ook twee ontwerpen van zijn hand gevonden, het ene is gesigneerd het andere voorlopig nog een toeschrijving, is er ook een zilveren bruiloftszang gevonden

Het duidelijkst manifesteert hij zich als tuinarchitect door zijn tuinontwerp van Huize Ruurlo te Ruurlo, welke zich bevindt in het huisarchief van huize Ruurlo inventarisnummer 0894-1219 en hiernaast met toestemming is weergegeven onder vermelding: Orgineel in Gelders archief (foto rechts)

Alle onderzoeksresultaten en het verhaal met als titel  “Johannes Montsche kon zelfs boomen planten daar nimmer een boom stond” is te bestellen als cahier van 34 pagina’s in kleur voor €13,25 excl.; verzendkosten bij : info@tuintertijd.nl

Het blijft puzzelen fantaseren en combineren met de onderzoeksgegevens en bronnen. Het levert voor de lezer een interessant en boeiend verhaal op.